• Geen centje pijn

    Ik ga opruimen. Dat is hoogstnoodzakelijk. De ruimte van mijn Praktijk hangt vol met kilo’s verdriet en met tonnen pijn en teleurstelling. Veertig pond acceptatie ligt verscholen in een hoekje. Aanvaarding van zowel jezelf als die ander. Alles ligt hier al weken, misschien al wel maanden, opgestapeld om geruimd te worden. Af en toe is het belangrijk dat ook daadwerkelijk te doen.

    Hoeveel mensen huilen niet hun hart en ziel uit in de tissues die hier in een doosje op tafel staan? Tranen van onmacht, verdriet, boosheid en woede. Boosheid kan heel licht zijn, maar woede is vernietigend. Woede kan een vulkaanuitbarsting veroorzaken. Dat maak ik regelmatig mee. Ik ben er niet bang voor. Af en toe moet woede gewoon even naar buiten komen.

    Verdriet hangt hier ook tegen de muren geplakt, in veel verschillende vormen. Als het kleuren verf zouden zijn, kon een schilder er prachtige werken mee fabriceren. En pijn, zo’n delicaat punt. Pijn weegt zwaar, het koekt tegen de plinten. Voor de een voelt het als honderd kilo, voor de ander als duizend. Mag het een onsje meer zijn? Nee, liever niet. Niemand wil pijn. We willen er geen gram te veel van dragen. Logisch, de last van het leven is al zwaar genoeg.

    Acceptatie, daar vind ik ook hele plukken van tijdens het schoonmaken. Acceptatie is het laatste stapje op weg naar een betere toekomst. Het moeilijkste stapje dat er is. Soms kunnen mensen bepaalde zaken niet accepteren, zelfs niet als de dood voor de deur staat. Ze blijven alsmaar in gevecht met ‘dat ene.’

    Zo ging het ook met Jaap. Hij werd geboren in de Tweede Wereldoorlog. Zijn vader was ‘fout’ geweest en kwam na de oorlog in de gevangenis. Na het uitzitten van zijn straf keerde vader niet terug naar het gezin dat tien jaar op hem gewacht had. In plaats daarvan begon hij een relatie met een andere vrouw. Echter, berouw komt altijd na de zonde en op zijn sterfbed kreeg de man spijt. Maar Jaap kon en wilde zijn vader niet vergeven voor al het verdriet dat hij het kleine gezin had aangedaan. Ook na lang bidden en smeken van zijn vader wilde Jaap niet aan het sterfbed verschijnen. De cadeaus die hem gestuurd werden als een soort boetedoening, gingen ongeopend retour. Jaap kon niet vergeven, noch aanvaarden.

    Dat zijn lastige situaties. Ik hoor de verhalen aan en leg me erbij neer. Het is altijd aan de cliënt om de keuze te maken. Ieder mens heeft recht op zijn eigen gevoelens en daar mag ik niet over oordelen. Ik probeer te begrijpen dat sommige wonden niet te helen zijn. Dan is het zaak om te aanvaarden dat er geen acceptatie mogelijk is. Dat is toch een stap in de goede richting.

    Ondertussen ruimt het lekker op in mijn Praktijk. Ik stofzuig, veeg en sop. Het ruikt fris naar schoonmaakmiddel. Ook brand ik een wierookstokje. Dat helpt altijd om rondzwevende oude pijn de weg naar buiten te wijzen. De ramen staan wagenwijd open. Als alles weer blinkend schoon is, ga ik in de stoel zitten waarin normaal gesproken de cliënt plaatsneemt.

  • Tabletten en ander spul

    Vanavond ben ik uitgenodigd om bij mijn dochter te komen eten. Onze beide kerels moeten overwerken en dat is voor mij meteen een mooie gelegenheid om ruim van tevoren binnen te wandelen en gezellig met kleindochter Joyce te kletsen. Andere kleindochter, Naomi, heeft een zwempartijtje en zal tegen half zes worden thuisgebracht.

    “Oma,” zegt Joyce. “Ik heb wat voor jou.”

    Ik ben meteen alert en stop met knuffelen. Ze pakt een computertje van boekformaat en opent het klepje. Ze drukt op icoontjes - dat weet ik wel, dat dat zo heet - en ze start een tekenprogramma.

    “Oma, dit is handig voor jou. Zo is tekenen veel makkelijker.”

    Onderaan het scherm zie ik allemaal piepkleine plaatjes. Een wit velletje papier, een soort dikke sigaar, een schilderspalet met kleurtjes en daarnaast nog meer van die dingen. Ik heb geen flauw idee wat het allemaal is. Joyce drukt met een snelheid van windkracht twaalf op het scherm. Eerst op het witte velletje papier. Onmiddellijk kleurt het scherm van wit naar rood, naar zwart, blauw, paars en noem maar op. Mijn ogen kunnen het allemaal niet volgen. Dan drukt ze op de sigaar en op het palet en ook nog ergens verderop rechts, en dan gaat ze ‘tekenen’. Dat is grappig… als ze aan de linkerzijde een hartje begint, komt het, in spiegelbeeld, aan de andere kant ook in beeld.

    “Zie je, lekker gemakkelijk hè?” zegt Joyce, om vervolgens op een nieuw icoontje te drukken. Hiermee zet ze blijkbaar de functie ‘inkleuren’ aan. Ze kleurt en kleurt en ook dat wordt meteen aan twee kanten zichtbaar.

    Ze babbelt vrolijk door. “Jij bent kunstenaar. Maar het is hard werken, zeg je altijd. Dus als je nu eens zo je kunst maakt? Dan hoef je alleen maar aan de ene kant te schilderen en dan komt de andere kant vanzelf.”

    Ik moet lachen om die kleine troel. Meer dan bloemetjes, hartjes en sterretjes kun je naar mijn idee niet tekenen met het computertje. Ik probeer het en het lukt me om een bloemetje te maken. Ik krijg er schik in.

    “Wat mooi, wat jij allemaal kunt op die iPad,” zeg ik en ik meen het.

    Joyce rommelt en doet alsof ze dagelijks met zo’n ding werkt. “Dat is geen iPad, oma, dat is een tablet.” Met de nadruk op ‘tè’. Een tablet is voor mij een paracetamolletje of een ander medicijn, maar niet een computer. Joyce legt uit dat het aan de fabrikant van die dingen ligt. Die geeft het de naam: tablet of iPad.

    Uit de keuken klinkt gegniffel. Deze oma, die denkt dat ze soms nog best jong en goed bij de tijd is, weet niet eens het verschil tussen een tablet en een iPad. Eerlijk gezegd hoef ik het ook niet te weten. Ik heb zo’n ding niet, doe alles op een ‘leptop’. Dat bevalt me prima. Hij staat dag en nacht aan, zodat ik kan internetten wanneer het me uitkomt. Ik sjouw die anderhalve kilo zelfs mee als ik op vakantie ga.

    Mijn kleindochter sluit het tekenprogramma af en start een spelletje. We kijken naar een ventje in een rood autootje, dat over bergen en door dalen rijdt. Joyce kan gas geven en remmen. Als ze remt, spetteren de wielen van het autootje modder op, of slaat het karretje over de kop. Het wiebelt heen en weer als het over een berg rijdt. Joyce drukt en drukt, om zoveel mogelijk van de muntjes aan te raken die overal rondzweven. Als ze er eentje heeft, spat het als een zeepbel uit elkaar.

    Onze kinderen hadden jaren geleden ook al zo’n soort computerspelletje. ‘Mario’ heette dat. Dan sprongen de poppetjes ook steeds omhoog om muntjes te verzamelen en hoorde je telkens ‘ting, ting, ting’. Nu hoor ik niks, want de televisie staat behoorlijk hard aan. Een kind van tien moet tenslotte van alles op de hoogte blijven.

    Ze komt lekker dicht tegen me aan liggen en af en toe krijg ik een knuffel. We zijn dikke vriendinnetjes en regelmatig komt ze logeren om te ‘kunsten’, zoals ze dat noemt, in mijn atelier. Vaak tekent ze hartjes met “Lieve oma, I love you” erop. Of ze schrijft me brieven, die ze in een envelop stopt en die ik dan krijg.

    In de herfstvakantie ben ik met dochter en kleindochters op vakantie geweest in een huisje in het oosten des lands. Het was prachtig weer, maar de jongste voelde zich niet lekker. Gelukkig had ik mijn auto volgeladen met teken-, schilder- en verfspullen, waar we dankbaar gebruik van maakten. In die week leerde ik de dames ‘zentangle’, het met een fineliner tekenen van zich steeds herhalende patronen. Die verslaving hebben ze toen van oma overgenomen en sindsdien tangelen ze wat af. Elke envelop wordt tegenwoordig versierd met tangels, die ze zelf bedenken of in een boekje gevonden hebben. Joyce ziet overal patroontjes en vraagt me regelmatig: “Oma, ik zie een zentangle, zie jij die ook?” Dan moet ik zoeken, maar vaak zie ik iets anders en hebben we dus allebei een nieuw tangel gevonden.

    Mijn dochter staat in de keuken spaghetti te maken en hoort ons babbelen. Mijn kleindochter rijdt nog steeds met het rode autootje.

    “Joyce,” bedenk ik. “Je zegt altijd dat je mij, als ik echt oud ben, met de auto komt ophalen. Maar als je rijdt zoals nu, vind ik dat niet fijn. Dan ga ik spugen en dan moeten we telkens stoppen. Jij remt en rijdt als een bezetene.”

    Maar ze is niet van gisteren, die kleine meid. “Dat doe ik dan niet, hoor. Dan doe ik hetzelfde als papa en mama altijd doen als jij meerijdt. Dan zetten we de auto op de bejaardenstand. Zo heet dat. Dan hoef je niet te spugen.”

    Vanuit de keuken hoor ik hevig gesnik en gegniffel. Mocht ik na vandaag nog denken dat ik jong van geest en lijf ben, herinner me dan alsjeblieft aan dit verhaal!

    Als ik ’s avonds terugrijd naar huis, zingt op de radio Sieb, de zanger van De Kast: “Zij is niet van deze wereld, zij is niet van deze tijd.” Jaja, Sieb, wrijf het er nog maar eens in. Langzaam laat ik mijn voet op het gaspedaal naar beneden zakken. Ik zal ze leren. Met een vaartje van dik vijftig kilometer zoef ik over de weg.

  • Geluk of gelijk?

    Sommige mensen houden koppig vast aan hun eigen ideeën of filosofietjes. Of ze er een ander pijn mee doen, zal ze een rotzorg zijn. Maar als ze vanuit hun omgeving eens een keer heftig tegengas krijgen en daarvan zelf ondersteboven raken, komen ze bij mij.

    “Het is toch zo, ik heb toch zeker gelijk?” Dat zeggen ze dan, nadat ze bozig hun verhaal hebben gedaan. “Het is niet dat ik mijn gelijk wil, ik heb gewoon gelijk.” Ook zo’n zin die ik vaak hoor. Als je zulke dingen ventileert, kijk ik er niet van op dat mensen hoog in een boom klimmen om uit je zicht te verdwijnen. “Take it or leave it.” Nog zo’n gevleugelde uitspraak, kort maar krachtig. Er blijft geen ruimte open voor discussie.

    Ik laat het gekwetste ego van de bokkige gelijkhebber langdurig aan het woord. De beste luisteraar is een stille luisteraar. Maar als het me te gortig wordt, heb ik maar één zin paraat: “Wil je je geluk of wil je je gelijk?” Dat helpt. Soms. Want zelfs daarover gaan mensen nog heftig in discussie. Als je je geluk wilt, moet je je mond stijf dichthouden en doe je jezelf ook leed aan, volgens hen. En als je je gelijk wilt, dan heb je gewoon gelijk. Anderen zijn te dom om dat in te zien… Ja, precies, zo is het maar net.

    Ik kies meestal voor mijn geluk en voor dat van een ander. Daar moet ik concessies voor doen, maar dat vind ik niet erg. Als er twee gelukkige mensen op de bank zitten, heb ik dat liever dan twee dwarskonten die allebei van zichzelf vinden dat ze gelijk hebben. Dat schiet niet op.

    Soms blijkt dat ik dit soort cliënten gewoon niet kan helpen. Ze blijven te veel op hun strepen staan en willen zich niet leren verplaatsen in een ander. En dat zeg ik dan ook, dat ik niet de geschikte persoon ben om ze te ondersteunen bij het oplossen van hun probleem. Daar waren ze vaak zelf ook al achtergekomen. Ik geef ze gelijk als ze vertrekken en ik hoop dat ze heel gelukkig worden.

  • Kunst en Krul

    Een naam duikt telkens weer op in onze omgeving, die van notaris Jan Krul. Wij leerden hem meer dan dertig jaar geleden kennen bij het opmaken van een notariële acte op zijn kantoor voor de aankoop van ons eerste huis. We waren nog zo jong, meneer Krul ook. Nu heb je allemaal wel een idee bij een notaris. Een stoffige man. Nu – bij hem kun je dat idee volstrekt laten varen. Niks man die ruikt naar mottenballen. Niks geleerd kantoor. Gewoon, een gezellige ruimte met koffie, thee, wat lekkers en een ruim en fris kantoor met prachtige vitrage.

    In het midden van zijn kamer prijkt een zeer grote tafel met daaromheen voldoende comfortabele stoelen. En – Jan Krul heeft mooie kunst aan de muren. Ik bloosde toen we hem ontmoeten. Zo’n vriendelijke en mooie man om te zien. Innemend ook. Voor de aankoop van ons eerste huis, alles in het leven is ooit één keer totaal nieuw, voelde ik gespannenheid. Mijn moeder had me opgevoed met het idee dat je, óf schulden hebt, of geen schulden. En een huis kopen viel onder de eerste categorie. Maar Jan legde me dat anders uit. Zolang we konden betalen was er niks aan de hand. En als je in een huurhuis woont en het niet kunt betalen, sta je op straat. En dat is na verloop van tijd, als je niet meer aflost, ook zo. We tekenden de akte en werden trotse bezitters van een huis met “schuld,” aldus mijn oude moedertje.

    Na veertien jaar verkochten we het huis en kochten er iets moois voor terug. Ook weer bij Jan Krul die even gezellig als daardoor ons door het proces heen hielp. We kregen als afscheidscadeautje een pen en, de door hem van een prachtig handschrift met krullen voorziene, getekende akte mee. En zo verliep ons huizenleven. De naam “Jan Krul” dook overal op. Bij evenementen, sportgebeuren, kunstmanifestaties, openingen. Werkelijk overal was Krul betrokken, ofwel als bestuurslid of als sponsor. De man leek wel een spin in een zeer groot web. Hij schrijft columns in onze locale krant om mensen te vertellen en adviseren over zijn werkzaamheden en waarbij hij mogelijk tot steun kon zijn. Maar dat schrijft hij niet gewoon, hij blijkt een magisch schrijver met een portie humor waar menig humorist zijn vingers bij af zou likken. De man bleek een Multitalent. Een aantal jaar geleden veranderde er veel in de wetgeving ten aanzien van testamenten. Opnieuw was het Krul die lezingen in het openbaar verzorgde. “Het leed is niet te overzien,” zei hij. “Mensen die een paar honderd euro in de zak willen houden en geen goed testament maken worden na de dood van hun partner geconfronteerd met veel onnodig verdriet en ellende. Mensen, ZORG voor je nabestaande.” Dat was zijn credo/motto. En het werkte. Avond na avond werd georganiseerd en men ging er graag naartoe. Jan bleef de goedkoopste en vriendelijkste causeur van een notaris.

    Nog niet zolang geleden ontmoette ik hem weer in levende lijve bij de opening van een expositie in ons grote dorp. Die gezellige notaris stond daar te praten alsof hij afgestudeerd was als conferencier. Hij vertelde over zijn lief en de restrictie om vooral geen kunst meer te kopen want het huis hing overvol. Hij luistert natuurlijk naar zijn partner, maar bedacht dat er op het toilet nog wel plek was voor vier kleine doekjes die hij op het oog had. Een serie van een heel bekwaam kunstenares die ik ook al meer dan dertig jaar ken. Die vier kunstwerkjes kocht hij in zijn openingstoespraak “even” aan. Zijn lief keek op de neus. Hij vertelde op zijn heel eigen wijze over kunst en wat het met hem deed, en dat was veel. Ik denk dat, nu Nelleke van der Krogt verdwenen is bij het televisieprogramma “tussen Kunst en Kitsch” we dubbel verlies leiden. Als we Jan Krul dat programma zouden laten presenteren, werd het een hilarische show, maar ook, een show waardoor miljoenen mensen misschien heel anders naar kunst zouden kijken en er veel meer belangstelling voor zou zijn. Onze Jan Krul, nergens ontbreekt zijn naam, behalve bij de aftiteling van een leuk tv programma. Ik zou het de Nederlandse televisie zo gunnen, maar ja. Hij blijft de leukste notaris – en goedkoopste – van ons dorp. En daar is niets aan te veranderen.

  • Boordcomputer

    De ruitensproeier van mijn auto doet het niet. Ik heb een afspraak met de garage gemaakt om er even naar te laten kijken. De reparatie zal ongeveer een half uurtje in beslag nemen, aldus de baliemedewerker. Ik mag plaatsnemen in de wachtruimte naast de showroom. De koffie staat klaar.

    Ik heb het puzzelboekje niet voor niets in mijn tas zitten, sla het open en pak mijn potlood. De koffie staat in een plastic bekertje voor me op tafel. Het is nog veel te heet om vast te houden. Vanuit de werkplaats komt een meneer aanwandelen. Eerst loopt hij wat ongemakkelijk rond, maar uiteindelijk gaat hij bij mij aan tafel zitten en begint uit het niets een praatje. Ik hou daar niet zo van en hopelijk straal ik het uit. Maar deze keer ben ik toch bang dat meneer daar niet veel oog voor heeft.

    “Heb ik een nieuwe auto gekocht, zit er een computer in waar ik niet mee uit de voeten kan. Nu branden er telkens lampjes en al sla je me dood, mevrouw, ik weet niet wat het allemaal te betekenen heeft.”

    De monteur komt binnen en begint met de man te praten. Ik buig mijn hoofd diep over mijn puzzel. Hopelijk is de klus aan mijn auto snel geklaard. Er volgt een vreemdsoortige conversatie over hetgeen de man van de nieuwe auto in zijn banden gepompt heeft. ‘Lucht,’ neem ik aan, maar daar zit ik er toch helemaal naast. Er kunnen ook andere dingen in banden gepompt worden, bijvoorbeeld een soort gas. Mijn klomp breekt, maar gelukkig geluidloos, zodat de mannen niets van dat breken merken.

    De monteur gaat weer weg en de klant vervolgt zijn praatje met mij. “Weet ik veel dat je er geen gas in mag pompen en weet ik veel wat benzinepompen voor spul in hun luchttanks hebben zitten? Als ik lucht wil, pak ik gewoon lucht. En nou gaan de lichtjes branden omdat ik iets anders in mijn banden heb gestopt, maar ik weet van niks.”

    Hij is stomverbaasd. Ik schat hem rond de zeventig. Hij komt uit de tijd dat er bij de pomp alleen nog maar lucht in de banden gespoten werd. De tijd dat we auto’s soms moesten aanduwen en dat ze het dan weer voor langere tijd deden. De tijd dat er nog geen computers die het kunnen begeven in auto’s geplaatst werden. Of erger, apparaatjes die van slag raken van de verkeerde lucht in de banden. Het was een compleet andere tijd. Nu moet je, buiten dat je je rijbewijs moet halen, ook nog gaan studeren wil je een nieuwe auto kunnen besturen. Het is me allemaal wat.

    “Had ik maar een normale auto gekocht in plaats van dat ding met boordcomputer. Wat heb ik eraan? Ik schrik me elke keer dood als er weer alarmlampjes gaan branden. Daar heb je op onze leeftijd toch niks aan?” zegt de man.

    Als ik al de illusie had dat ik er nog redelijk jong en mooi uitzie, is die nu vervlogen. In rook opgegaan. “Op onze leeftijd,” zei hij. Nou, volgens mij is hij dik in de zeventig en dat ben ik nog lang niet.

    De monteur komt hem gelukkig ophalen. De auto is gerepareerd en hij krijgt een snelcursus boordcomputer lezen. “Weg ermee,” denk ik, nog gepikeerd over zijn uitspraak. Maar ja, het is wel waar, zestig of zeventig, zoveel scheelt het toch niet? Snel daarna komt ‘mijn’ monteur vertellen dat het euvel verholpen is.

    “Gewoon een lichtje dat een verkeerd signaal gaf.” Ja ja, de nieuwe tijd, net wat U zegt. Het maakt me wat melancholiek.

  • Malariapillen

    De telefoon gaat. Op het schermpje zie ik een onbekend nummer. Ik neem op.

    “U spreekt met Ina Wijnberg.”

    Een dame op leeftijd wil een afspraak maken met de dokter. Kennelijk realiseert ze zich niet dat ze verkeerd verbonden is. Ik leg uit dat mijn telefoonnummer veel lijkt op dat van een van de huisartsen. De mevrouw biedt haar excuses aan en bedankt me.

    Tien minuten later gaat de telefoon opnieuw. Een onbekend 06-nummer.

    “U spreekt met Ina Wijnberg.”

    “Hallo. Ik wil malariapillen bestellen!“

    Ik heb duidelijk een commandant aan de lijn. Hij heeft niet eens de moeite genomen om zijn naam te zeggen.

    “Dat is goed hoor, doet u maar,” geef ik als antwoord. Van dit soort mensen krijg ik een kriebel op mijn armen en rug. Ik voel dan de onweerstaanbare neiging om ze een beetje te plagen, of op te voeden.

    “Ja, MALARIAPILLEN!” toetert hij. Alsof hij denkt dat ik doof ben.

    “Dat kan hoor, alleen NIET BIJ MIJ!” roep ik. Verder zeg ik niks.

    “Wat krijgen we NOU? U bent toch de doktersassistente? Dan kan ik toch gewoon mijn PILLEN BESTELLEN!” brult de commandant verbolgen. Aha, nu komen we ergens.

    “Natuurlijk mag u pillen bestellen, maar IK ben niet de assistente van de dokter,” zeg ik. “Ik heet Ina Wijnberg en als u goed geluisterd had, dan wist u dat al. U heeft een verkeerd nummer ingetoetst.”

    Het wordt even stil. Schijnbaar houdt de commandant de telefoon een stukje van zich af om het nummer op de display te bekijken.

    “Verrek, u heeft gelijk…” Ineens klinkt zijn stem een stuk vriendelijker.

    “Meneer, dit overkomt me regelmatig. En als mensen dan ook nog een beetje gaan commanderen, word ik akelig. Want U draait een verkeerd nummer en valt MIJ lastig.”

    Het raakt hem. “Sorry. Ik heb nogal haast en ik wilde even snel mijn malariapillen bestellen. Het spijt me dat ik u hiermee gestoord heb.” We nemen op beschaafde toon afscheid van elkaar.

    De rest van de dag blijft het rustig. Niemand heeft me meer nodig voor pillen of afspraken. Ik besluit om de volgende keer zó op te nemen: “Met de assistente van dokter VAN DER PLOEG!!!!” Ik grinnik en laat het plan varen. Je weet immers nooit wie er belt...

  • Niets gaat vanzelf

    Ik kom Jan tegen op straat. Leuke man, bijzondere humor, altijd wat zinnigs te melden. “Hoi schrijfstertje. Hoe gaat-ie? Alles kits?” zegt hij. Het luikje waarachter ik mijn herinneringen bewaar klapt open. Dat zei mijn vader ook altijd: ‘alles kits’. De opmerking van Jan brengt me meteen vijfenvijftig jaar terug in de tijd. Ik hoor heel helder de stem van mijn vader. Zo werkt dat met herinneringen. Je ruikt, hoort of ziet iets en ineens ben je weer kind.

    “Ja, Jan, alles kits. En met jou?” Hij ziet er goed uit.

    “Ach, tegenwoordig mag je blij zijn als je nog leeft en gezond bent,” meent Jan. “Zoveel mensen ontvallen me. Dus tel ik mijn zegeningen.”

    Wat hij zegt is waar. Veel mensen mankeren iets. Er lijken een heleboel nieuwe ziektes te zijn, kwalen waar ik totaal niets van weet. ‘Alfabetziekten’ noem ik ze, omdat het afkortingen zijn van ingewikkelde medische problemen. BPPD, ADHD of ALS. Ik kan er geen chocola van maken. En als ik er wel chocola van kon maken, dan at ik die direct op. Het liefst met hele hazelnoten.

    “Niks in het leven gaat vanzelf,” zegt Jan. “Behalve een glijbaan.” Daar moet ik hard om lachen.

    “Zie je wel, je vindt het lollig,” glundert hij. “Ik ook. Ik liep me net te bedenken, toen ik langs de speeltuin kwam, dat van een glijbaan roetsjen niet voor niets zo heerlijk is. Eindelijk gaat er eens een keertje iets vanzelf! Niks in het leven gaat vanzelf, behalve glijden van een glijbaan.”

    Jan salueert, dat doet hij altijd, en marcheert weer verder. Mooi gezegd, dat van die glijbaan. Als ik doorloop zie ik dat de lucht betrekt. Ineens komt er behoorlijk wat wind opzetten. Maakt niet uit. Ik ben gezond, heb geen alfabetziekte, maar wel een gezellige man thuis die nu vast op me zit te wachten met een kop warme chocolademelk. Snel de trappers even extra aanzetten, want ik moet de heuvel nog op. En ook dat gaat niet vanzelf.

  • Karzam

    Kleinzoon Laine is een paar uurtjes op bezoek. Dat vinden opa en ik heel gezellig. Laine wil altijd klussen als hij hier is en daarom worden de gereedschapskisten, die van hem en die van opa, uit de kast getild en naar de huiskamer gesjouwd. Ook moet er een ladder komen. Dus na de gereedschapskisten haalt Laine, met hulp van zijn sterke opa, de keukentrap tevoorschijn. Alle stoelen worden op hun kant gezet. Het is een rommel van jewelste, maar Laine is dolgelukkig.

    Hij wil ook - dat willen klussers volgens hem altijd - ‘nidolame’. Dat betekent ‘limonade’. Alle letters zitten in het woord, maar in een andere volgorde. Verder praat onze kleinzoon als Brugman, er is geen spijker tussen te krijgen.

    Natuurlijk moeten er koeken op tafel komen. Niet van die kleintjes, nee, grote. En anders is hij ook tevreden met ‘kroekkroek’. Dat is het lijmmiddel gebleken om meneer aan het eten te krijgen. Hij is een beetje kieskeurig, maar voor kroepoek doet hij ongeveer alles. Dus nu is het standaard: eerst vijf hapjes eten, dan een stukje kroepoek. Volgens Laine smaakt het net zo goed bij bami als bij andijviestamppot.

    Meneer Kroekkoek wil nu pauzeren met koek en nidolame. “Oma, wil je karzam aanzetten?” vraagt hij terwijl hij van zijn stroopwafel smult. “Wat is dat, karzam?” vragen wij. “Dat is op Netflix,” legt hij uit.

    Opa en oma hebben geen Netflix. Jammer, maar veel en lang klussen met opa is ook heel gezellig. De rollen afplakband die we tegenwoordig in flinke hoeveelheden aanschaffen, gebruikt onze kleinzoon om van alles aan elkaar te plakken. Het spul gaat gemakkelijk overal weer af, dus we vinden het niet erg.

    Nu kruipt Laine bovenop de rugleuning van een stoel. Hij is brandweerman Sam en hij moet mensen redden bij een grote brand. De ‘ladder’, zo’n trapje met twee treden, staat klaar. Mocht het wat uit de hand lopen met de brand, dan kan brandweerman Sam snel naar beneden om zijn eigen hachje te redden en een slokje nidolame te nemen. Dat is nodig, want hij werkt keihard.

    Laine wil tussen de bedrijven door ook wel even met oma mee. De eendjes voeren in het grote park, daarvoor heeft hij altijd wel een gaatje in zijn drukke agenda. “Dit is een bos hè, oma?” polst Laine. Ja, het lijkt er wel op. Hoge bomen en veel rododendrons vol bloemen die het park opfleuren.

    “Karzam woont ook in een bos,” vervolgt de kleine baas. “Met Jeem.”

    Met Jeem? Ineens springt er in mijn hoofd een lichtje aan. “Je bedoelt TARZAN en JANE, toch, Laine?”

    “Ja, oma, KARZAM en JEEM. Die wonen in een bos, en die zijn ook op Netflix.”

    Ik moet zo om die grappenmaker grinniken. Hij geeft ons telkens weer wat te puzzelen. “Heb jij ook een Jane?” vraag ik aan de kleine man.

    “Ja, mama is Jeem,” antwoordt hij bloedserieus. “Maar wij wonen niet in een bos, hoor. Gewoon in een huis.”

    Daarna breekt een schaterlach door. Hij heeft er dikke pret om.

    Na het voeren van de eendjes vertrekken we weer huiswaarts. Het raadsel van Karzam is gelukkig opgelost. Thuis loopt Laine direct door naar de keuken. Op de heenweg naar het park had hij meer dan de helft van het brood dat bestemd was voor de eendjes al zelf opgepeuzeld en nu wil hij weer brood, met hagelslag en pindakaas. Hij kan het krijgen zoals hij het hebben wil. Brandweermannen en Karzammen kunnen niet op een lege maag presteren.

  • Vliegende paarden

    Paarden lopen in de wei, vliegtuigen vliegen. Dat staat zo vast als een huis. Maar soms worden paarden vervoerd met een vliegtuig. Verkocht aan het buitenland of ze doen mee aan wedstrijden. Het vliegen met paarden aan boord kan een heel spannend avontuur zijn. Zo verging het ons, jaren geleden. We boekten een vlucht van Schiphol naar Los Angeles. Een vlucht zonder overstap, tenminste, dat dachten we.

    Tijdens de eerste uren aan boord hoorden we vreemde, stampende geluiden. Was er iets aan de hand met een van de motoren? Er liepen telkens mensen door de gangpaden met zogenaamde paardrijkleding aan. De kleding die onze kleindochters dragen als ze naar paardrijles gaan.

    Het stampend geluid werd al harder en angstaanjagender. Ook hoorden we af en toe hinniken. In een vliegtuig hoor je normaal toch geen paarden hinniken. Nou, bij deze vlucht wel. Helemaal achterin het vliegtuig waar vrienden zaten, was het geluid zeer goed waar te nemen. “Het lijkt wel alsof er onrustige paarden aan boord zijn,” zei vriendin. Hoe waar was die uitspraak. We vlogen boven Groenland toen de vluchtleiding meedeelde dat we terug moesten naar IJsland. Er stonden 12 paarden in het ruim waarvan er een zeer onrustig was, ondanks alle verdoving. En dat nu alle paarden onrustig werden. En dat het ronduit gevaarlijk kon worden als ze door zouden vliegen. Alle passagiers waren inmiddels onrustig. Ik ook. Mijn fantasie gaat dan met me op de loop, ik zie paarden die door de gangpaden vliegen, heen en weer. En echt niet op vliegende tapijtjes.

    We landden in IJsland op een Amerikaans militair terrein. Er stonden mannen klaar in witte pakken die naar het ruim liepen waar de paarden stonden. Heen en weer. De oplossing was schijnbaar niet snel voorhanden. Er werd in de cockpit druk gediscussieerd met regeringsleiders uit Nederland, Amerika en IJsland. De paarden mochten IJsland niet in vanwege eventuele besmettelijke ziekten die overgedragen konden worden op hun eigen paarden. “Niet levend, niet dood,” zei IJsland. Dat laatste, niet dood, mocht ook niet in Amerika. Wat was wijsheid.

    Uiteindelijk na een uurtje of vijf, zes debatteren en spuiten werden de dieren rustig. Mijn buurvrouw naast me was al lang rustig door de overvloedige volle glazen whisky die ze van de stewardess gekregen had. Na de overlast van het stampen, zat ik met een snurkende dame naast me die pas tegen de tijd dat Amerika in zicht kwam, wakker werd. Ze had weinig tot niets meegekregen van de commotie. We kregen nog een broodje en een beker drinken, een cadeautje van IJsland, daarna mochten we doorvliegen naar LA. Het vliegtuigpersoneel ging slapen en ons werd geadviseerd hetzelfde te doen. Er was geen proviand aan boord anders dan de maaltijd die twee uur voor het landen aangeboden werd. Oogjes dicht, snaveltjes toe. Maar slapen – ho maar. De vlucht die normaal zo 14 uur zou duren, duurde door dit gebeuren 24 uur. Doodmoe kwamen we aan in het hotel. Niemand had nog behoefte aan eten of drinken, alleen maar aan een comfortabel bed. Velen droomden die nacht van vliegende paarden.

  • Daar zit muziek in

    Mijn luie stoel staat klaar in de tuin. Ik hoef er alleen nog maar in te gaan liggen. Op het voetbalveld even verderop zijn een paar jongens druk bezig. Tegenwoordig gaat voetballen gepaard met het draaien van harde muziek waarin ik soms, als klassiekemuziekliefhebber, ‘iets ouds van vroeger’ herken. Alles is al eens eerder uitgevonden en gedaan, denk ik dan.

    Mijn ogen vallen dicht en ineens – zo gaat dat tegenwoordig al snel – ben ik vijvenvijftig jaar terug in de tijd. Ik wandel aan de hand van mijn vader door de Jordaan in Amsterdam. Hij moet bij iemand brieven afgeven. We zijn met de tram gekomen, een feestje vind ik dat. Op schoot bij papa, want ik ben nog klein en de stoelen zijn voor ouderen, zo vertelt hij.

    Het is hoogzomer. De ramen in de heel kleine huisjes staan wagenwijd open. “Luister,” zegt mijn vader. Achter ieder raam is wel iemand aan het zingen. “Herken je dit? Rigoletto!” De trieste opera met de akelige afloop, denk ik direct. “En hoor je dat? Die muziek komt uit La Traviata.” “Mooi,” zeg ik. Om het gezang en de liederen goed in me op te kunnen nemen, ben ik langzamer gaan lopen. “Wonen hier alleen maar zangers en zangeressen?” vraag ik. Mijn vader grinnikt. “Dit is de Jordaan, kind. Hier kunnen alle mensen zingen, of ze doen gewoon alsof. Hier wonen uitsluitend operazangers.”

    Zomer, de ramen open. Amsterdammers houden van zingen en muziek maken. In de eenvoudige buurt waar ik woon waaien overal flarden van volksliedjes over straat. Uit de woning boven die van ons schallen modernere klanken. En op zaterdagavond marcheert de fanfare voorbij, vaak als oefening voor een optreden, want waar kun je beter repeteren dan op straat? De kinderen lopen tot aan het eind van de wijk achter de muziek aan. Daarna rennen ze vrolijk zingend terug.

    Opera, operette. Als er op televisie muziek wordt uitgezonden, mag ik langer opblijven. Na een operastuk kan ik niet slapen. Het verhaal eindigt altijd zo triest. Als ik een operette gezien heb, lig ik nog urenlang te genieten in mijn bedje. Luid zing ik alles op een kinderlijke manier na, totdat mijn ouders me uiteindelijk midden in de nacht de mond snoeren.

    Ik lig volop in de zon en mijn hoofd gloeit. Echt zomer, denk ik. Als ik nu op warme dagen muziek hoor, herinner ik me altijd weer de opengeslagen ramen in de Jordaan tijdens die wandeling met mijn vader. Nadat we het pakje met brieven afgeleverd hadden, doken we een kroegje in. Ook daar klonken liedjes.

    “Een hassebassie, meneer?” vroeg de ober, de fles jenever al in de aanslag. “En voor de kleine een chocomelletje?” Zo ging dat toen. Nu luisteren jongelui naar hun eigentijdse muziek. Geen opera of operette, maar hiphop, rap, en andere trends. Soms herken ik een muzieklijn en hoor ik hoe bepaalde thema’s zich herhalen. Net als bij de oude klassieke stukken. De musicals van nu zijn te vergelijken met de opera’s en operettes van vroeger. Ze vertellen een verhaal, op muziek gezet, met zangers en zangeressen die ook nog acteren. Mooi.

    Zomerse dagen, daar zit muziek in. Ik droom er heerlijk bij weg. Dan word ik wakker van een heel vreemd muziekje. Een snurkje… Oeps, dat was ikzelf!

  • Kunstzinnig lijf

    In het Pinksterweekend genieten Lief en ik van de Kunstroute, of Atelierroute. Drie dagen lang zijn er overal openbare exposities van kunstenaars. Onze auto parkeren we in het centrum van het dorp en we wandelen van de ene creatieve locatie naar de andere. Soms exposeert een kunstenaar alleen. Soms hebben meerdere collega’s tegelijk een ruimte gehuurd, of staan de deuren van een gezamenlijk atelier wijd open. Alle locaties zijn op loopafstand van elkaar. Leen, een schilder die we al lang kennen, doet ook mee aan de Atelierroute. Ooit exposeerden hij en ik samen onze schilderwerken. Dat zijn tijden waaraan ik graag terugdenk, maar het was ook erg intensief. Maanden van tevoren waren we al druk met organiseren en inlijsten en alles klaarmaken voor twee daagjes ‘vlammen’.

    “Moet je nou eens kijken, Ina.” Leen wijst naar een jong stel dat het atelier binnenkomt. Hij een korte broek, zij een luchtig rokje, T-shirtjes zonder mouwen, en allebei het hele lijf vol met tattoos. Sommige heel mooi, andere angstaanjagend. Zij heeft kleurige bloemenslingers op armen en benen, hij pronkt met leeuwen, tijgers en duivelse figuren.

    “Moet je dat toch eens zien,” herhaalt Leen zachtjes. “Die zullen niets kopen, hoor. Ze dragen hun eigen kunst al op hun lijf.” Leen is bijna vijfenzeventig. In onze tijd liepen alleen zeemannen rond met tatoeages. Tegenwoordig sieren veel meer mensen hun lichaam met een symbolische tekening of een belangrijke naam, in sierlijke letters gegraveerd. Er komt nog iemand het atelier binnenwandelen. Het is een grote man, ook hij heeft zijn armen vol tekeningen. “Nog zo’n kunstenmaker! Het moet niet gekker worden.” Onze vriend krabbelt zich op het hoofd, wij lachen. De beschilderde lui komen de kant op waar Leen zijn kunstwerken exposeert. Leen maakt prachtige schilderijen, waar jammer genoeg niet zoveel mensen belangstelling voor hebben. Ik heb groot respect voor zijn werk. Het is uniek en authentiek. Zo moet je als kunstenaar zijn, vind ik. Je verkoopt misschien wat minder, maar je maakt wel de kunst die uit je hart komt. En het is duidelijk: zo werkt Leen.

    “Sodemieters, DIT vind ik nou mooi!” zegt de jongeman tegen zijn vriendin. De andere man met volle armen komt erbij staan. “Ja, ik ook. Jezus, wat mooi! Wie maakt zulke kunst?” vraagt hij zich af en hij kijkt in het rond. Ik duw Leen naar voren. “Deze meneer!” Leen stapt op de bezoekers af. Lief en ik trekken ons een beetje terug en laten hem met het drietal praten. Na een poosje schudden ze elkaar de hand en het beschilderde volkje vertrekt. Verbaasd komt Leen op ons af. “Wat ik nu weer meemaak… Ik verkoop gewoon die twee schilderijen aan dat paartje. En die andere man komt straks terug voor het kleine werkje dat ernaast hangt. Ze nemen geld mee.” Hij krabbelt opnieuw aan zijn bijna kale kopje. Hij is te verbouwereerd om te praten, een gevoelsmens pur sang. Een dame komt langs met verfrissingen en we gaan samen met Leen even zitten. Aan het eind van de dag wordt het rustiger. Er komen nog maar weinig mensen op bezoek. Dan, net voor sluitingstijd, stappen de drie met de tattoos op het lijf de ruimte weer binnen. Als ze Leen zien, zwaaien ze.

    “Hier hebben we het geld, meneer,” zegt de vrouw. “We zijn hartstikke blij met uw schilderijen. We weten al precies waar we ze gaan hangen.” Ook de man die het kleinere werkje wil kopen heeft contant geld bij zich. Hij heeft duidelijk al nader kennisgemaakt met het stel. “We vonden het zo leuk,” zegt hij. “Wij kenden elkaar helemaal niet, maar we hebben samen verderop een drankje gedronken. En we blijken een paar overeenkomsten te hebben.” Hij steekt zijn arm en zijn half ontbloot been naar voren. Ze schateren het alle drie uit. Leen haalt een rol dik, bruin papier. Op de tafel verpakt hij trots heel secuur zijn verkochte kunst. De jongelui krijgen nog een drankje aangeboden, maar willen liever meteen naar huis om de mooie aankopen op te hangen. “Reuze bedankt, meneer. We zijn er enorm blij mee.” Verheugd lopen ze weg. Onze Leen is met stomheid geslagen. “Ik snap er geen barst van. Het hele weekend verkoop ik niets. Dan komen die lui met eigen kunst om het lijf binnen en ben ik zomaar in één klap drie werken kwijt. Ik heb er geen woorden voor. Nou ja, ik moet zeggen: smaak hebben ze wel.”

    Hij geeft me een guitige knipoog. Hij is allemachtig blij met de deal. In zijn broekzak zit geld voor weer een heleboel schilderspullen. Inmiddels zijn de exposanten druk bezig hun kunst weer in te pakken. Zo gaat dat bij dit soort tentoonstellingen: poppetje gezien, kastje dicht. Wij geven Leen een hand en een knuffel en vertrekken naar huis. Op de parkeerplaats komen we de kopers van de schilderijen nogmaals tegen en we knikken vriendelijk naar hen. “Gek hè,” mijmert Lief. “We hebben allemaal wel eens een vooroordeel, van het moet zus of het moet zo, maar wat kun je dan bijzonder verrast worden. En zo leuk voor Leen. Weet je, ik denk dat ik ook maar een paar van die tekeningetjes op mijn blote armen en benen laat zetten.” Hij kijkt gemaakt ernstig terwijl hij zijn mouwen opstroopt en zijn huid inspecteert.

    “Als je dat maar uit je hoofd laat!” zeg ik lachend. Natuurlijk weet ik dat hij nooit een tatoo zou nemen. Of… vergis ik me?

  • Schuimpie

    De zolenmaker schuift een doos naar me toe. Er zit een zachte, schuimachtige substantie in. “Ik vertik het om in dat schuimpie te gaan staan!” zeg ik ferm. Jarenlange ellende komt in gedachten bovendrijven. Drie keer eerder al stond ik in zo’n schuimbak. En al die keren kreeg ik zolen aangemeten waaraan ik, zo werd me verzekerd, gewoon moest wennen. Maar een pijn dat ik had… Dagenlang, wekenlang na het aandoen van de nieuwe schoenen, tot ik ze van ellende maar uitliet. Het is nog geen schoenmaker gelukt om de juiste zolen voor me te maken.

    De zolenman kijkt bedenkelijk. Hij zegt dat dit zijn manier van werken is. Dat we het zó en niet anders gaan doen. Mijn ogen spuiten vuur, en meer. Als ik mijn gedachten onderzoek, zie ik een reusachtige Chinese draak. Die draak is kwaadaardig en boos. Wéér zo’n tiep met een bak schuim? Ik trap er niet meer in!

    Door een verwijzing van de orthopedisch chirurg kwam ik bij deze gespecialiseerde schoenmaker terecht. “Ik ben een prinses op de erwt als het om mijn voeten gaat,” probeerde ik hem tijdens onze telefonische kennismaking duidelijk te maken. “Als ik iets voel, al is het maar een korreltje of een hobbeltje, heb ik meteen voetschade.” De blauwe plekken van het knijpen en voelen door de chirurg stonden op dat moment nog prominent op mijn voeten.

    En nu sta ik in de praktijk, zie de bak schuim en heb er meteen al geen vertrouwen meer in. Zolenmeneer en ik kijken elkaar aan. Hij ontstemd, ik ronduit vijandig. Ik denk: Eén kans krijg je. Je maakt perfecte zolen voor me. Zo niet, dan laat ik ze gewoon hier achter. Mag je zelf genieten van je akelige zolen. En hem zie ik denken: Wat een praatjesmaker. Hoe krijg ik in godsnaam mijn schoeisel aan die onwillige voeten?

    “Ga nou maar in dat schuim staan,” zegt hij korzelig. “Dan kijken we wel hoever we komen. Al kom je tien keer terug, passen zullen die zolen. En je zult er heerlijk op lopen.”

    Niet alleen worden de zolen aangemeten, ik moet ook orthopedische schoenen. Ik, die zo van elegante muiltjes houd. Met grote tegenzin blader ik in de boeken met voorbeelden. Als ik eindelijk redelijk leuke schoenen zie, zijn ze niet breed genoeg voor mijn voeten. Ook het volgende boek showt alleen maar modellen die me niet passen. Hier wordt tactisch gespeeld, ik voel het. Stapje voor stapje sluist de zolenman me naar een map van een merk dat extra breed schoeisel voor vrouwen produceert. “Uit zo’n schoen snijden we het hele binnenwerk weg en dat vervangen we door de op maat gemaakte zool. Daarna zetten we de originele zool daar weer onder,” legt meneer uit.

    “Van die hompenschompen worden het dan,” mompel ik chagrijnig. Maar op de een of andere manier brengt de zolenman toch rust. Ik zucht eens diep. “Heb je ook losse vellen leer? Dan kan ik er bloemen van knippen die ik bovenop de schoenen vastzet met klittenband.” De man kijkt me vermoeid aan. “Ik heb geen leer, maar ik zal voor je gaan zoeken.”

    In de weken voor ik terug moet om te passen, schommelt mijn gevoel van boos naar moordlustig en van bang naar verdrietig. Ik, die van mooie schoenen houd, moet van die ouwewijvenschoenen aan. Bovendien zal er wel weer van alles mis zijn met de zolen en veroorzaken ze al pijn als ik naar ze kijk.

    Dan komt de dag des oordeels. De zolenman staat me onbewogen op te wachten. Hij reikt me de gloednieuwe schoenen aan en ik ga er eens goed voor zitten. Nou, ik moet toegeven dat het meevalt. Even slikken. De zolen doen meteen een beetje pijn, maar ze zijn in ieder geval heel zacht. Er is een gerede kans dat ik hier geen blaren of blauwe plekken van ga krijgen, dat voel ik. Ik gun de zolenman een genadige blik. Nu weet ik dat hij me echt begrepen heeft.

    Na wat gerommel over een weer - hij slijpt de zolen net zolang bij tot het aanvaardbaar voelt - schuifel ik voorzichtig op mijn nieuwe schoenen naar buiten. “Terugkomen als het volgende week niet lekker loopt,” drukt mijn nieuwe vriend me op het hart. “Over vijf dagen moet je zorgeloos kunnen wandelen.”

    En het lukt! Alle traumatische ervaringen met ‘halve zolen’ zijn zowaar gewist en de prinses durft zelfs weer te huppelen.

  • Knap volkje

    Mijmerend, liggend in een luie stoel met het voorjaarszonnetje op mijn snoet, gaan er allerlei gedachten door mijn hoofd. Ze vlinderen van de seizoenen naar andere eeuwen en weer terug, naar de vers geplante viooltjes in de terraspotten. Gewoon overal en nergens heen, alsof het niets is.

    Wij Nederlanders zijn een knap volkje, bedenk ik. Lang geleden al schuimden we de wereldzeeën af op zoek naar handel. Uit verre landen haalden we kruiden en specerijen, die we met winst aan de man brachten. Ook nu nog zijn we een inventief landje, we gaan mee met onze tijd en bedenken snel nieuwe slimme dingen.

    Wat maakt ons volkje zo sterk? Dat zijn de seizoenen. ‘s Zomers kan het makkelijk vijfendertig graden worden. ’s Winters schaatsen we dik ingepakt over bevroren water. Soms zelfs wel tweehonderd kilometer, als het even meezit.

    Ik open kort één oog. Voldoende om mijn tulpen in krachtige tinten volop in de bloei te zien. De knoppen van de kersenbloesem staan op openknappen. Alles wat verborgen was onder een dikke laag aarde komt uit zijn winterschuilplaats tevoorschijn. Buiten de tuin, op het voetbalveld en in de speeltuin, zijn kinderen zich aan het vermaken. Hun opgewonden stemmen galmen vrolijk door de buurt.

    Als de lente straks voorbij is, komt de zomer. We zijn allemaal blij, want nu is de vakantie in zicht. In de winkels zijn volop verse groenten te koop en alle smaken ijs, en het is er wekenlang heerlijk rustig boodschappen doen voor thuisblijvers. Iedereen is buiten. Bootjes liggen in vol ornaat in de grachten, in tuinen staan felgekleurde parasols als grote bloemen te stralen in de zon. De fiets is dagelijks binnen handbereik. Overal zie je in de zomer volk op de fiets. Als er een stevige wind staat – daar kunnen wij Hollanders goed tegen – zetten we gewoon een tandje bij.

    Dan komt de herfst in het vizier. De kinderen gaan weer naar school. We verheugen ons op het roestbruin kleuren van de bladeren aan de bomen en het aansteken van kaarsjes in de avonduren. We gaan minder de paden op, de lanen in en langzamerhand trekken we ons een beetje terug naar binnen. Misschien springen we nog een keer uit band in de nazomerzon, maar dan wordt het toch echt tijd om ons voor te bereiden op… de komst van Sinterklaas. De cadeaugidsen vallen reeds in september met een donderklap in de brievenbus. Kinderen vliegen naar de voordeur en roepen hard: “Dit wil ik, en dat wil ik ook!” In de hoop dat Sint en Piet het horen. Een heerlijke tijd voor ouders en grootouders.

    Sterk volk zijn wij. Van een heerlijke zomer verhuizen we zonder omhaal via de onstuimige herfst naar het koude seizoen. Kachels draaien overuren. En ook in de winter zitten we gewoon op de fiets. Handschoenen aan, muts op en gaan met die banaan. Dan komt de belangrijke vraag: “Wat eten we met de feestdagen en wie nodigen we uit?” Ondertussen pakken we alvast oliebollenmix en rozijnen uit de schappen, want Kerst is net voorbij of we staan in onze schuren alweer bollen en beignets te frituren. De vrouwen zuchten er een beetje bij. “Ik zal blij zijn als het januari is.” Kijk, zo gemakkelijk zijn wij, soepel volk, gelukkig te maken. We verheugen ons gewoon op de volgende maand!

    In het nieuwe jaar laten we de drukte achter ons. We verlangen naar sneeuw en ijs en – heimelijk – naar de Tocht der Tochten. Met in ons achterhoofd de wetenschap dat het heel lang geleden is dat de laatste Elfstedentocht werd gereden en we er met onze snufferd bovenop mochten zitten, voor de tv.

    Vertel me nooit dat ons volk niet positief en sterk is. We werken hard, kweken de mooiste groenten, fokken de dikste koeien en exporteren de duurste rozen. We hebben kilometers strand en de lekkerste vis, en molens die maaien met hun armen tot er nieuw, droog land is geboren. Waterbeheersing, zelfs onze koning is er een kei in.

    Dit bedenk ik me allemaal in een flits, tussen twee keer knipperen in. Ik doe het oog dat openstond dicht. Zie de tulpen in de borders nog even op mijn netvlies en maak in één moeite door plannen voor de rest van de tuin. De Nederlander is een mens van seizoenen. Sterk als een os en buigzaam als riet, en zich altijd verheugend op nieuwe avonturen.

  • SKI club

    Af en toe kom ik Nel tegen. Samen zaten we eeuwen geleden op naailes. Onze kinderen waren klein en we maakten alle kleding nog zelf. Op les zaten vier vrouwen die elkaar met raad en daad terzijde stonden. Nel is een paar jaar ouder als ik en afkomstig uit Canada. Haar Nederlandse ouders emigreerden, maar kwamen met kleine Nel weer terug. Het beviel hen daar kennelijk niet. Nel voelt als iemand van andere generatie. Het voelt als de generatie van mijn schoonouders die in potjes guldentjes deden voor verzekeringen, kerst en sinterklaas, heel zuinig en bedachtzaam. Nel maakte van een oude jas zo weer 2 nieuwe voor haar dochtertjes. Ik ging naar de markt en kwam met spiksplinternieuwe stof op les. Mijn moeder deed dat ook. Van een oude jas van mijn tante, maakte ze voor mij een nieuwe. De gaten in de jas werden omzeild door uit het kleine stukje dat nog restte een kraagje te knippen. Zuinig als maar zijn kan.

    “Heej verhaaltjesschrijfster. Gut, ik wist niet dat je zo leuk kon schrijven.” Ze vraagt hoe ik aan verhaaltjes kom. Dat ik sommige zo van straat pluk vind ze bijzonder. Tenslotte staan wij nu ook te babbelen. Niet dat ik vertelsels zomaar overneem. Ik verbouw ze eerst, zoals zij vroeger oude jassen verbouwde en er nieuwe van maakte. Hoe het ermee gaat, vraagt ze. Ik vertel. En ik vraag hoe het met de familie gaat. Ze ziet er enig uit. Helemaal niet de Nel van vroeger die zichzelf als laatste op de plaats in het huishouden en familie plaatste. Mooie jas draagt ze, dure tas en zowaar make-up op haar gezicht. Bovendien ruikt ze naar parfum. Dat heb ik nog nooit bij haar geroken.

    “Ina, we zijn lid geworden, Jaap en ik, van de “ski club.” Ik vind dat leuk als mensen nieuwe initiatieven starten. Wel lastig want voor je het weet breek je je benen, of nog erger, op onze leeftijd. Haar ogen glunderen. Nou, ze hebben er duidelijk plezier in. “Wees je wel voorzichtig? Voor je het weet krijg je ongelukken!” zeg ik. Ze lacht hardop. Kennelijk onderschat ik haar ski capaciteiten volledig. “Wij zijn lid van de SKI club geworden, Jaap en ik. Weet je wat het betekent? Spend Kids inherentance.” Nu lacht ze nog harder. “Ina,” vervolgd ze haar verhaal. We spaarden als gekken, Jaap en ik. Het huis is al een poos geleden afgelost. Er staat een prima auto voor de deur en de meubels hoeven ook nog niet vervangen te worden. Onze dochters hebben het heel goed. Ze werken samen met hun echtgenoten. En toen zaten Jaap en ik aan tafel. We spraken over onze hardwerkende ouders die nooit genoten hebben. Alleen een aow-tje, daarvan moesten ze leven. En dan gaven ze ons ook nog grote cadeaus als we jarig waren. Nee Ina, dat hadden wij ineens niet meer voor ogen. Het resultaat is dat we ineens doorhadden hoe we bezig waren, sparen, sparen, zuinig leven en nog meer zuinig leven. Angst regeerde ons leven. Angst voor de toekomst. En toen knapte er ineens iets bij ons. En gelukkig voelden we het allebei. We bespraken onze wensen. Echt hoor, hele lijsten hebben we gemaakt. En daaruit kwam dat we het heerlijk zouden vinden om met een camper te toeren door Europa. En dat doen we nu, van april tot juli, als schoolvakanties beginnen zitten we lekker thuis. En dan gaan we ergens eind augustus weer op stap, en zijn we nu net weer thuis.” Ze glundert als ze me dit verteld. “Word maar snel lid van onze club hoor. De SKI club.” We schudden elkaar de hand en gaan uit elkaar. Sjonge, wat een bijzonder verhaal. Echt een verhaal om te delen. En dat doe ik hierbij…. SKI club. Ik voel mijn lange latten al onder de voeten.

  • Kunst in je knip

    Een bijzondere kunstenaar is op zevenentachtigjarige leeftijd overleden. De geweldige Ootje Oxenaar. Ootje was de man die onze snip, onze zonnebloem en de vuurtoren ontwierp, het papiergeld waarmee het guldentijdperk werd afgesloten.

    In de krant lees ik een artikel over deze markante persoonlijkheid. Zijn echte naam was Robert, niet Ootje. Collega-ontwerper Julius Vermeulen omschrijft de biljetten van de hand van Ootje als ‘geld waar je tenminste vrolijk van werd’. Wie veel geld in zijn portemonnee heeft, is natuurlijk vanzelf al blij. Maar als het dan ook nog eens van die kleurrijke velletjes zijn, is het helemaal feest. Alsof je met kunst in je knip rondloopt.

    De groene vijf gulden, het blauwe tientje, het bruine briefje van honderd. Aan de effen kleur van elke flap kon je duidelijk de waarde herkennen. Het geld was zo meesterlijk ontworpen dat het bijna onmogelijk na te maken was. Dat is nu wel anders, met de eurobiljetten.

    Ootje was zijn tijd ver vooruit en had een creatieve geest. Zo verborg hij altijd stiekem iets geheims in zijn ontwerpen. Bijvoorbeeld : zijn naam was zichtbaar op het groene biljet van vijf gulden. Maar dat wist niemand, alleen een enkele insider. Eigenlijk nam Ootje iedereen ‘in het ootje’. Een uniek kunstenaar en een geniale uitvinder, dat kun je rustig van hem zeggen.

    In de hemel schijnt bier te zijn. Althans, zo wordt gezongen. Ik hoop voor Ootje dat er ook papier en kleurpotloden zijn. Dat kan hij doorgaan met scheppen. Opdat er biljetten van hemelse waarde die uit zijn pennen zullen vloeien.

  • Kippenpoot

    Op donderdag kwam hij altijd langs, de man die kippenvlees verkocht. Met een bakfiets die gevuld was met vers geplukte kip, poten en kluiven kwam hij onze buurt binnenrijden. Hij had een belletje waarmee hij klingelde. Alle vrouwen uit de straat liepen naar de kar. Niet alleen voor het kopen van een kip, maar ook voor een babbeltje. Zo ging dat vroeger. En bij klanten die oud waren of slecht ter been, kwam de kippenman gewoon aan de deur.

    Wij kinderen stonden ongeduldig te wachten tot we aan de beurt waren voor een kippenklauwtje. Van die enge poten waren het, met kleine teentjes en lange, scherpe nagels. Als de kippenboer een goede bui had, kregen we zo’n poot. Wij vonden het prachtig: als je op een botje bovenop de poot drukte, bewogen de tenen. De kippenvingertjes met die enge nageltjes strekten zich volledig uit. Het mooiste was het om andere kinderen, die geen poot hadden of durfden vast te houden, flink te laten griezelen. We renden ermee over straat, maar ik moest niet denken dat ik met zo’n poot thuis kon aankomen. Mijn moeder, die helemaal niet streng was, stelde hier een duidelijke grens. Ze vond het verschrikkelijk dat we met die dingen rondliepen en ik kwam er de deur niet mee in.

    Als we een hele tijd plezier gemaakt hadden, was het inmiddels etenstijd. De poot belandde in zo’n grijze vuilnisemmer die aan de stoep stond en een paar keer per week geleegd werd. In de winter liep mijn vader, net als alle andere vaders, elke ochtend vroeg naar buiten om de as van de kachel erin te gooien. Het stoof enorm, maar dat was gewoon. We dachten nog niet na over luchtvervuiling en ozonlagen.

    De poot verdween in de asemmer en wij gingen aan tafel. Je handen wassen voor het eten, daaraan deed destijds niemand. Als ze plakten spuugde je erin en veegde je ze af aan je rokje. Handen wassen na het plassen of een grote boodschap deden we alleen op school. En ziek waren we eigenlijk nooit.

    Op zaterdag werd een grote zinken teil gevuld met kokendheet water dat de avond ervoor in een enorme ketel op de kachel was gewarmd. Het oudste kind mocht als eerste in de teil. De jongste zat steevast in lauw water, waarin, langs de rand van de teil, inmiddels een grauwe zeeprand dreef. Schone pyjama aan, gewassen haartjes en we waren weer klaar voor de rest van de week.

    Bijzondere tijden waren het, vooral als je denkt over hoe het er nu aan toe gaat. Dagelijks gaan kindjes in bad of onder de douche. Vieze handjes worden telkens gewassen. “Na het plassen handen wassen,” is de regel. Ik denk aan mijn smoezelige vingertjes die aan de poten van dode kippen plukten. Daarna veegde ik mijn neus af en waarschijnlijk peuterde ik er nog eens stevig in. “Mam, mag ik een dropje?” Dat dropje stopte ik, met de bacteriën van die rauwe kip, gewoon in mijn mond. Niks buikloop of andere vervelende zaken. Dat bestond niet bij ons in de buurt.

  • Vorige eeuw

    Ik ben ‘van de vorige eeuw’. Laatst gebruikte ik die uitdrukking. Iemand wilde me iets uitleggen over het gebruik van de mobiele telefoon. Ik begreep er geen sikkepit van.

    “Ik ben van de vorige eeuw,” zei ik.

    De dame keek me vreemd aan. “Ik ook,” zei ze.

    Ja, dat was waar. “Ik ben van rond 1950. Jij van 1980. Een heel verschil,” zei ik. “Jij kunt alles met computers. Ik hou dat op afstand. Ik mail en google, en Facebook is me niet vreemd. Maar wat jullie allemaal kunnen, dat gaat me boven de pet.”

    Zo, mijn statement was gemaakt.

    Daarnet kreeg ik een mailtje. Het ging over foto’s die men naar mij wilde ‘appen’. Ik ga zo terugmailen dat ik niet bij de tijd ben; ik heb geen whatsapp. Je moet je niet teveel in beslag laten nemen door al dat moderne spul waarvoor je elke paar jaar een bijscholingscursus nodig hebt. Ik zie het aan mijn Lief. Van vele functies op zijn nieuwe telefoon weet hij helemaal niet hoe ze werken.

    “Pap, dat doe je zo…” Vliegensvlug jagen de vingers van een van de zoons over de toetsen. Maar wij zijn het alweer kwijt. “Je doet gewoon even zo en zo, en dan ben je er.”

    Lief en ik kijken elkaar verschrikt aan. We doen er niet aan mee. Laat ons nou gewoon van de vorige eeuw zijn.

  • Skinny dippen

    Ik plons helemaal naakt in het privézwembadje bij de villa die we gehuurd hebben op Bali. Waar het water dankzij een dikke laag badpakstof nog nooit mijn huid heeft geraakt, klotst het nu ongecensureerd tegen mijn blote lijf. Mijn bleke borsten, nooit beroerd door welk zonnetje ook, gaan ineens drijven en raken bijna mijn onderkin. Normaal horen borsten naar voren te kijken, maar die van mij zijn in de loop der jaren vloerzoekers geworden. En nu, in het zwembad, blikken ze hemelwaarts.

    Ik word hier niet blij van. Mijn toch al witte lijf ziet er in het water intens bleek uit. Ik denk aan vriendin Renée van ver over de zeventig. Zij vindt niets fijner dan bloot zwemmen. Als ze een vakantie boekt, zoekt ze altijd een plek waar ze kan ‘skinny dippen’. Ze spettert vrolijk rond, terwijl ze luidkeels zingt. Ik vind het maar niets. Dit avontuur is eenmalig.

    Als ik ’s avonds mijn verhaal vertel aan El-see, vriendin en manager van het hotel, moet ze hard lachen. Het is zo herkenbaar.

    “Ja, lach maar,” zeg ik. “Stel je voor dat ik in mijn blote kont een hartaanval krijg en die kleine Balineesjes moeten me uit het water hijsen!”

    Mijn Lief ligt dubbel van het lachen. “Ik zal dan zorgen dat je snel netjes aangekleed bent.”

    Ja. Weet je wel hoe lastig het is om kleding over een nat, bewusteloos lijf te sjorren? Skinny dippen. Ik heb er mijn bekomst van. Maar gelachen hebben we wel.

  • Sprookje van de Kat

    Ik kijk naar mijn rode kater. Wat zou ik graag willen dat hij was zoals de hoofdpersoon in het sprookje van ‘De Gelaarsde Kat’. Ik ben dol op dat verhaal. Stel je voor, iemand geeft je een kat. Je denkt dat je een ‘kat in de zak’ krijgt, maar dat beest blijkt te kunnen praten en is zo slim als een vos. Hij heeft een beregoed verhaal te vertellen en doet dingen die niemand voor mogelijk houdt. Op een dag weet hij zelfs een tovenaar onschadelijk te maken door hem stapje voor stapje te verleiden. Hij prijst de gevaarlijke magiër net zolang de hemel in, totdat deze zichzelf eerst omtovert in een olifant en vervolgens in een muis. Dan slaat de kat toe, hij vreet de muis op en klaar is Kees. Zijn baasje, de molenaarszoon, is ineens heel populair.

    Door slim te zijn, kan je succesvol worden in het leven. Ook zonder kat. Maar je moet wel weten hoe je bepaalde zaken aanpakt. Je moet nieuwsgierigheid wekken, een goed praatje hebben en mensen zo kunnen verleiden dat ze over een grens stappen. Zoals de kat met de tovenaar deed. Door zijn ego een poosje te strelen, kreeg de kat hem precies daar waar hij hem hebben wilde. Slim beest.

    Die rooie lobbes van mij ligt gewoon lekker in het zonnetje, her en der een andere kat uit de tuin meppend. Nog wel. Als hij later een oud kereltje is, piept hij wel anders. Dan worden jongere, sterkere katers de baas in de buurt. Maar voorlopig zwaait mijn ‘Gelaarsde Kat Maks’ de scepter in de tuin. En in huis trouwens ook.

  • Prins

    Ik slaak een ijzige kreet. Ik wist niet hoe dat klonk, totdat ik ineens zo moest gillen. Op het afstapje naar mijn atelier zit een dikke pad. Hoe komt die daar? Ineens herinner ik me dat ik de tuindeur die middag open heb laten staan voor de broodnodige frisse lucht. Dat paddenbeest is natuurlijk stiekem naar binnen gesprongen.

    “Kom!!” klinkt mijn dwingend commando richting mijn Lief, die in de huiskamer zit. “Verwijder dat beest, alsjeblieft!” Lief komt aangelopen en bekijkt de pad. “Weet je het zeker?”, vraagt hij. “Wie weet is het een prins. Dit is je kans.” Op zijn gezicht zie ik een grote grijns. Ik vind hem vandaag niet grappig.

    Terwijl mijn Lief een plastic bakje zoekt om de pad in te vangen, pak ik een stuk karton om onder het beestje te schuiven. Ondertussen houd ik het diertje in de gaten, Lief ook. Even later staat de bak over de pad. Hij springt telkens omhoog, maar kan niet meer ontsnappen. Lief schuift het karton onder het bakje, zodat hij het kereltje buiten kan brengen.

    “Zo,” zegt hij lachend als hij weer terugkomt. “Jij wilt die prins niet, maar misschien maak ik de buurvrouw van tachtig er wel blij mee. Ondankbaar nest! Jij moet het verder doen met deze oude bok, begrepen?” Lachend stapt hij langs me heen naar binnen.

    “Nou,” denk ik. “Liever die ouwe bok dan een kouwe kikker.” Snel sluit ik de deur, ik wil geen vervelende beesten meer binnen.

  • Grote kleindochter

    Mijn grote kleindochter. Ze is drie jaar oud. Ik ben verliefd op haar en mijn man heeft me er persoonlijk toestemming voor gegeven. Hij is immers zelf ook verliefd op de kleine schat. We passen regelmatig op als vader en moeder weg moeten met haar babyzusje. In onze schuur liggen allemaal speeltjes die buiten gebruikt kunnen worden. Het is een mooie zomerdag en we zijn al de hele middag in de tuin. Spelen met de bal, pionnen omgooien en lekker drinken en snoepen. Ze is geen snoeper. Met twee kleine dropjes doet ze uren. Dan maar een waterijsje. Daar doet ze ook lang mee. Haar katoenen jurkje wordt drijfnat en krijgt alle kleuren van de regenboog door het smeltende raketje, dat nu bijna op is.

    We gaan samen bellen blazen. Grote bellen, kleine belletjes, bellen die in een kluwen samenklitten om vervolgens op de grond uit elkaar te spatten. We zien prachtige pastelkleuren die we om de beurt benoemen. "Rood, blauw, paars, ROZE!" Roze is haar lievelingskleur, nog wel. Ik weet dat het over een paar jaar zal veranderen. Zo ging het bij haar moeder. Eerst een roze slaapkamer, daarna een paarse. Paars in alle nuances, van donker naar heel licht lila. Ook op haar ogen smeerde ze paarse oogschaduw, zo kan ik me nog herinneren.

    We blazen al een poosje bellen als mijn kleindochter stilstaat en naar de lucht wijst. "Oma, wat is dat?" vraagt ze, terwijl ze op de strepen wijst die een vliegtuig maakt. Ze geeft zelf het antwoord op de vraag. "Het zijn strépen," zegt ze met veel nadruk. "Hoe komen die daar?" Van wie ze het heeft weet ik niet, maar ze praat heel duidelijk en zelfs enigszins geaffecteerd. Even weet ik niet goed welk antwoord ik aan een driejarige moet geven, maar er schiet me iets te binnen. "Heb je dat nog nooit gezien, Joyce? Dat doet Basje," zeg ik. "Basje doet dat, die streepjes maken?" Ze kijkt me verbaasd aan. Iemand die streepjes in de lucht maakt en Basje heet? "Hoe doet Basje dat dan, oma?" vraagt ze op haar deftige manier. "Nou liefje, Basjes papa is piloot en als het mooi en zonnig weer is, gaat Bas samen met hem op stap. Zijn papa moet vliegen en Basje mag mee. Dan mag hij voorin het vliegtuig zitten en het raampje opendoen. Basjes papa heeft altijd witte krijtjes bij zich en als Bas zich verveelt, trekt hij witte strepen in de lucht. "Ze kijkt me onderzoekend aan. "Dat geloof ik niet," zegt ze, maar ze twijfelt ook een beetje. "En toch is het waar, Joyce."

    Ik zie haar denken, de radertjes in haar kopje werken op volle toeren. Opa vliegt voor zijn werk naar heel verre landen en opa en oma gaan vaak samen op vakantie met het vliegtuig. Dan moet het wel waar zijn. "Ik geloof het wel, oma," zegt ze als de radertjes gestopt zijn.

    Even later gaan we samen op pad om boodschappen te doen. Ze eet gezellig bij ons en lust graag hutspot. Dus hartje zomer eten wij hutspot, omdat zij het zo lekker vindt. Met een balletje gehakt en jus. Als we bij de slager staan om gehakt te kopen, hoor ik haar tegen een kindje en haar moeder vertellen over de streepjes in de lucht. Daarna een lachsalvo. "Wie heeft jou dat op de mouw gespeld?" vraagt de moeder aan Joyce. "Oma, en OMA weet ALLES." Zo is het maar net, denk ik. Bedankt voor het grote vertrouwen, lieve grote kleindochter. Daarna gaan we naar huis. Ze helpt me met de worteltjes en aardappels. Van uien snijden gaan haar ogen tranen dus dat mag ik zelf doen. Het eitje breekt ze, dat kneedt ze door het gehakt. We maken er een gezellige dag van. En na de maaltijd? Dan nemen we samen nog een raketje. Vies zijn we toch al.

  • De Grote Crisismanager

    Harrie komt mijn ramen lappen. Een gezellige jonge vent, met een olijke kop en aanstekelijke lach. Als Harrie lacht, moet ik ook lachen. De wind is snijdend koud als ik buiten kom om hem koffie aan te bieden. "Met melk en suiker," zegt hij meteen. Hij heeft wel zin in een bakkie. Ik geef hem er een pakje stroopwafels bij die er vast wel ingaan. We babbelen eventjes, maar het is zo koud dat ik hem uitnodig om de koffie en koek binnen te komen nuttigen. Daar ontspint zich een fantastisch gesprek.

    Hij staat op de keukendeurmat omdat hij niet verder wil wandelen vanwege zijn vieze schoenen. Ik hang tegen het aanrecht. Ik ken Harrie al achttien jaar, sinds hij voor het eerst als klein kereltje van zes achter zijn grote broer van tien ons huis kwam binnenwandelen, gewoon in het kielzog. Niets leukers voor kleine jongetjes dan om bij "de grote kerels" te horen. Zo gedroeg hij zich ook. Hij pikte net als de anderen de oliebollen, die de hele buurt bij me kwam eten, van de schaal. Ondertussen ongeduldig wachtend tot de appelflappen de hete olie in gingen. De eerste vijftig oliebollen bakte ik voor de grommende magen van dertien hongerige jonge knapen. Met de flappen ging het dezelfde kant op. Harrie deed moedig mee, ook al zag ik aan zijn koppie wel dat die grote kerels bijhouden toch een hele toer was.

    Harrie is een denker, dat valt me direct op. Hij denkt na en heel ver en lang en diep. "Als over tien jaar - en dan - en als en dan." Tegelijkertijd spreekt hij over geloven in God. "De Grote Baas" noemt hij hem met diep respect. Harrie heeft in zijn jonge leven al veel meegemaakt en kiest, in mijn ogen, een geweldig levenspad. Hij heeft een lieve vriendin voor wie hij een goede man is. Samen hebben ze een zoontje en hij is een fantastische vader voor het kleine ventje. Hij is spaarzaam en goedaardig. Harrie heeft veel geleerd van "die grote kerels" van vroeger. Van de fouten die ze maakten. Die wil hij vermijden. Dus kiest hij ervoor om zuinig te leven zodat hij alle onkosten kan betalen en een spaarpotje kan vullen voor lief en leed.

    Als mensen hem nodig hebben, is Harrie er voor ze. De partner van een schoonzus is abrupt overleden. Het stel had geen partnerverklaring laten opstellen, ook al was er een kindje van vier. Nu moet schoonzus werken als verpleegkundige. Het kleintje logeert in de weekends regelmatig bij Harrie. "Ik pas alleen op als ze het hele weekend kan blijven. Ik wil geen gehannes van bij opa en oma, dan weer thuis, dan weer bij ons, dan weer bij anderen. Ze is of bij ons, of bij opa en oma." Zo klaar als een klontje.

    Maar ik maak me zorgen om hoe hij de toekomst ziet. Hij piekert over hoe het over tien jaar zal zijn, hoe de wereld er dan uit zal zien. Hij las in de krant dat zijn kindje honderd jaar wordt, hoe moet dat dan? Dat vraagt hij zich af. Als driejarig peutertje leerde ik van mijn vader "Que Sera" zingen, het bekende liedje van Doris Day. Mijn vader vertaalde de tekst vanuit het Engels voor me. Het ging over iemand die ook graag in de toekomst wilde kijken, en over het feit dat toch alles een groot mysterie blijft. Die tekst is me altijd bijgebleven. Ik vertel het aan Harrie. Met zijn vriendelijke ogen kijkt hij me diepzinnig aan. Hij begrijpt het. "Harrie, is het niet zo: wij geloven allebei in een God. Zullen we alles toch maar aan "De Grote Crisismanager" overlaten?" Daar is hij het volledig mee eens. "Ik zal eens minder nadenken en meer ramen lappen. Bedankt voor de koffie, de koek en het inzicht. Het heeft me enorm geholpen. Ik pieker me suf, maar ik denk dat ik er voortaan maar vanuit ga dat De Manager het wel zal oplossen. Of niet. Dan ben ik er nog vlug genoeg zelf bij om zaken te regelen." Hij salueert en verdwijnt naar buiten. Hij zag het ineens glashelder. Ik ook.

  • Beeldig Kunstenaar

    Aan wie het maar horen wil vertelt Naomi, mijn jongste kleindochter, dat "haar oma BEELDIG kunstenaar is." Hoe vaak ik haar ook uitleg dat het BEELDEND kunstenaar heet, voor haar blijft het zoals ze dat zelf bedacht heeft. Oma is dus een beeldige kunstenares.

    Ze is zeven en zo eigenwijs als maar zijn kan. Met haar nieuwsgierige blauwe kijkers en gulle mond, waaruit ineens een bulderlach kan opstijgen, vertedert ze bijna iedereen. Bijna iedereen. Want juffen en meesters vinden haar in de klas soms een beetje té grappig.

    Taal is haar ding. In winkels begint ze met een ieder die dat wil een praatje. Ze is hartveroverend en heel charmant. Sinds ze kan praten overtroeft ze ons met woorden, precies zoals haar moeder destijds ook deed. Die sprak met veertien maanden al hele volzinnen. Ze presteerde het om tegen de slager, die haar via mij een plakje worst wilde aanbieden, te zeggen: "ik LUST wel worst maar ik HOEF het niet!" Als moeder sta je dan bijna voor schut.

    Zo is Naomi ook. Het eeuwenoude verhaal van de gevallen appel en de boom. Ik heb om mijn dochter en haar uitspraken altijd enorm moeten lachen toen ze klein was, al werd het moeilijker toen ze me rond haar zesde levensjaar met feiten om de oren begon te slaan waarop ik geen antwoord wist.

    We hadden haar verboden om naar goede tijden, slechte tijden te kijken, maar dat deed ze op haar kamer stiekem toch. Op haar eigen televisie, die we haar jammer genoeg voor haar verjaardag gegeven hadden. Vanaf dat moment praatte ze na wat er in die serie gezegd werd. Omdat ik daar zelf niet naar keek, begreep ik niet hoe ze aan al die teksten kwam. En had ik al helemaal geen antwoord meer paraat.

    Nu krijgt ze haar straf. Namelijk een dochter die zich precies zo gedraagt als zijzelf dat deed, alleen een graadje erger. Als Naomi in de klas de tafel van vijf moet opzeggen gaat dat prima, maar ze vertikt het om het kort daarna een tweede keer te doen. Dus krijgt ze een slecht cijfer en moet het de volgende dag opnieuw. Dit keer lukt het weer zonder één foutje. Als de juf vraagt waarom ze het nu wel weet en gisteren niet, zegt madame: "Juf, ik doe alles maar één keer. Als je niet opschrijft dat ik de tafel van vijf goed ken, dan is het niet MIJN fout maar de jouwe. JIJ moet opschrijven dat ik hem ken." Daarmee is voor haar de kous af. Haar ogen spuiten laaiend vuur en niemand zegt meer iets. Dan komt ze thuis met het verhaal, nog helemaal verbolgen over die domme juf. "Ik hoef toch zeker niet steeds in herhaling te vallen!"

    Klaar ben je. Diep in mijn hart bewonder ik haar taalvaardigheid, maar weet ook dat die haar nog wel eens in grote problemen kan brengen. Juffen, meesters, ouders en ouderen accepteren zo'n kleine wijsneus niet. En nu ik erover nadenk - was ik vroeger ook niet zo? Ooit vroeg de lerares aan mij: "Ben jij nou 8 of 88?" Ik begreep niet wat ze daarmee bedoelde. Opgediept uit een kluis van vroeger komen herinneringen naar boven borrelen die ik ver weggestopt had. Herinneringen aan taaldiscussies die ik op jonge leeftijd al voerde. Dankzij twee oudere halfbroers, nichten en neven die tenminste zeven jaar ouder waren, had ik bijna uitsluitend contact met "oudere mensen" en nam hun taalgebruik over. Aj, de appels vallen helemaal niet ver van de bomen......